Blauw bloed anekdotes

Blauw bloed anekdotes

Verhalen, anekdotes, herinneringen

Ooggetuigenverslagen vanuit de Postbank. Belevenissen van klanten. U leest het hier allemaal.


Terug naar hoofdmenu.


Uw eigen anekdote hier? Kies in het hoofdmenu voor 'Giroblauw past bij jou' voor meer informatie.

De PCGD zoekt secure jongens

MedewerkersPosted by Wichert van Engelen 16 Jul, 2009 11:21

Na het behalen van het MULO-diploma op 15 juli 1952 ging ik eerst met vakantie alvorens een baan te zoeken. Mijn vader was postbesteller bij de PTT en zowel hij als mijn moeder drongen erop aan om een baan als ambtenaar te zoeken. Want zo zeiden zei dan heb je vastigheid als je eenmaal in vaste dienst bent. Ik deed pogingen bij de RAC (Rijks Automobiel Centrale) en bij de hoofddirectie der PTT, maar dat had geen succes. Toen herinnerde ik mij wat broeder Clemens had gezegd: “De Postchèque- en Girodienst zoekt secure jongens”. Samen met mijn vader ging ik bij aldaar solliciteren. Ik zeg altijd: “mijn vader heeft het goed gedaan, want ik werd aangenomen!” Er moest nog wel een geneeskundig onderzoek plaatsvinden, dus helemaal zeker was het nog niet. Maar hoera op 30 augustus kreeg ik de volgende brief:

1. Hierbij deel ik U mede, dat de uitslag van het geneeskundig onderzoek gunstig luidt.

2. Uw indiensttreding kan derhalve op Maandag 1 September a.s. des morgens- om 8.45 uur precies plaats vinden.

3. Het bruto-salaris bedraagt ook tijdens de proeftijd van 6 maanden f.70.-plus f.l.40 p.m.

4. Aangezien U de leeftijd van 21 jaar nog niet hebt bereikt, gelieve Ü bijgaande verklaring ingevuld en ondertekend door Uw vader of voogd mede te brengen

5. Voorts breng ik onder uw aandacht, dat voor het geval de omtrent Uw persoon nog in te winnen inlichtingen daartoe aanleiding mochten geven, het dienstverband zonder meer zal worden verbroken.

6. Wanneer U in het bezit bent van een rente-kaart, verzoek ik U deze met het inmiddels door U aangevraagde geboortebewijs bij Uw indiensttreding zo mogelijk mede te brengen.

Op 1 september ging ik op de fiets naar het Spaarneplein en ontmoette tot mijn verrassing één van mijn klasgenoten van de MULO en wel Kees de Ridder, nadat ik mijn fiets in de kelder van het gebouw had gezet. Dat mocht voor één dag omdat aan mij nog geen fietsnummer was toegekend. Na toekenning van een fietsnummer en vermelding daarvan op mijn legitimatiekaart werd de volgende dag dit nummer door de bewaker van de fietsenstalling op het spatbord van mijn fiets geschilderd. Bij ophalen van je fiets, aan de achterzijde van het gebouw in de Zwetstraat, moest je je legitimatiekaart tonen en controleerde de bewaker of je de juist fiets meenam.

Samen gingen wij 4 weken naar de afdeling Opleiding om te worden opgeleid voor de functie van tegenboeker op basis van ons MULO-diploma. We kregen de rang van employé 3 adma (administratief ambtenaar) en hebben tot 1955 op dezelfde Rekening Courantzaal gewerkt, tot het moment dat ik in militaire dienst ging. Samen met Kees ben ik naar de R.K. Handelsavondschool gegaan, dat betekende 4 avonden per week school in een tijd dat we lange en ook zware werkdagen bij de Giro maakten. Dit bleek uiteindelijk een te zware opgave voor ons. Wel heb ik in 1966 het Praktijk Diploma Boekhouden gehaald.

Werkend, als jongen van 16 jaar, op een zaal met 200 mensen was een enorme overgang vergeleken bij het schoolleven. Ik kwam in aanraking met mensen van allerlei leeftijden en rangen. Iedereen noemde elkaar bij de voornaam ongeacht leeftijd, behalve als die persoon hoofdemployé of hoger was. Bijvoorbeeld tegen iemand van dik in de vijftig zei ik “Sjaan” of “Wim”. Dit kweekte een ongedwongen sfeer tijdens het keiharde werken.

We mochten pas naar huis als alle opdrachten, die ’s morgens in behandeling waren gegeven, waren verwerkt en de balans sluitend was. Overwerk werd genoteerd als “creditminuten”. Ging je binnen de tijd naar huis dan werden deze minuten van de creditminuten afgetrokken. Later is dit veranderd, als je eenmaal creditminuten had dan bleven deze intact voor uitbetaling of vrije tijd. Als je naar het toilet ging dan moest je de begintijd en eindtijd van dit bezoek op een lijst noteren bij de zogenoemde tafelchef (een hoofdemployé). Deze lijst werd door ons de “pislijst” genoemd. Als je teveel “pisminuten” had dan werden deze op de creditminuten in mindering gebracht. Pas in 1953 is de lijst afgeschaft.

De ramen bestonden voor de onderste helft uit matglas om te verhinderen dat je, tijdens het zittende werk, naar buiten zou kunnen kijken. Koffie en thee werden op de zaal gebruikt en je moest zelf een mok mee van huis nemen. Meisjes uit de kantine kwamen ’s ochtends en ’s middags met wagentjes de zaal op. ’s Morgens koffie en ’s middags thee in de pauze van 15 minuten. De zaalchef (een burc oftewel bureauchef) luidde daartoe een bel om aan te geven wanneer de pauze begon en wanneer deze was afgelopen. Koffiebonnen kostten 15 (!) cent per stuk, de thee was gratis. Alleen tussen de middag mocht er naar de kantine worden gegaan om het zelf meegebrachte brood te nuttigen. Ik ging meestal naar buiten en at al wandelend mijn boterhammen op. Aanvang en terugkomst van de middagpauze moest bij de tafelchef worden gemeld, die bij de betreffende naam de tijden invulde. Deze chef controleerde dan of je niet langer dan een half uur was weggebleven. Behalve tijdens de middagpauze mocht je je niet op de gangen in het gebouw bevinden, tenzij met een door de tafelchef getekend formulier.

Piet Boers

  • Comments(0)//anekdotes.blauw-bloed.nl/#post24